Bijbels onderwerp · 65 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 33:1-2 1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten. 2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
Psalmen 47:6-7 6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin. 7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
Psalmen 50:23 23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Psalmen 65:1 1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
Psalmen 66:2 2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
Psalmen 66:8 8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
Psalmen 76:10 10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
Psalmen 95:2 2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
Psalmen 96:4 4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
Psalmen 99:3 3Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
Psalmen 104:33 33Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
Psalmen 104:35 35De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
Psalmen 111:1 1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
Psalmen 111:10 10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
Psalmen 113:1 1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
Psalmen 113:3 3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
Psalmen 113:9 9Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!
Psalmen 115:17-18 17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn. 18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
Psalmen 139:14 14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
Psalmen 147:1 1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
Psalmen 147:7 7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
Psalmen 147:12 12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
Psalmen 147:20 20Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
Psalmen 148:1-5 1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen! 2Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen! 3Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! 4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! 5Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
Psalmen 148:7 7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!
Psalmen 148:13-14 13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel. 14En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!
Psalmen 150:1-6 1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte! 2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid! 3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp! 4Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel! 5Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid! 6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
Psalmen 8:1-9 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. 2O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. 3Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden. 4Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; 5Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? 6En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? 7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet; 8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. 9Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
Psalmen 19:1-14 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. 3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap. 4Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. 5Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon. 6En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen. 7Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte. 8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende. 9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen. 10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. 11Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. 12Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon. 13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen. 14Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!
Psalmen 24:1-10 1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. 2Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? 4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; 5Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils. 6Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. 7Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! 8Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. 9Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! 10Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.
Psalmen 29:1-11 1Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte. 2Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms. 3De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren. 4De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid. 5De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon. 6En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn. 7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit. 8De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven. 9De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer. 10De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid. 11De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.
Psalmen 33:3-22 3Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal. 4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw. 5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN. 6Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir. 7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren. 8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. 9Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. 10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken. 11Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht. 12Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. 13De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. 14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. 15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. 16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; 17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. 18Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. 20Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild. 21Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen. 22Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
Psalmen 47:1-5 1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang. 3Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. 4Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten. 5Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
Psalmen 47:8-9 8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing! 9God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid. De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!
Psalmen 50:1-22 1Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang. 2Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. 3Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 4Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. 5Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande! 6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela. 7Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God. 8Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij. 9Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien; 10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. 11Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. 12Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid. 13Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? 14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften. 15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren. 16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? 17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt. 18Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog. 20Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit. 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen. 22Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Psalmen 65:2-13 2De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. 3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen. 4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij. 5Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. 6Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee! 7Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht. 8Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken. 9En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen. 10Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. 11Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel. 12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid. 13Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.
Psalmen 66:1 1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
Psalmen 66:3-7 3Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen. 4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela. 5Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen. 6Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd. 7Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
Psalmen 66:9-20 9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele. 10Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; 11Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd; 12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. 13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, 14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. 15Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela. 16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. 17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong. 18Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben. 19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. 20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.
Psalmen 76:1-9 1Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel. 3En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. 4Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela. 5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen. 6De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. 7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. 8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af? 9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,