Psalmen: Geschiedkundig

Bijbels onderwerp · 5 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 105:2 2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.

Psalmen 78:1-72 1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds. 2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her; 3Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben. 4Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. 5Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; 6Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; 7En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren; 8En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God. 9(De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.) 10Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet. 11En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien. 12Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan. 13Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop. 14En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs. 15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. 16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. 17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis. 18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust. 19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? 20Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden? 21Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel; 22Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden. 23Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende; 24En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. 25Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. 26Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte; 27En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen; 28En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen. 29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. 30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond, 31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde. 32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen. 33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking. 34Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg; 35En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. 36En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong. 37Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond. 38Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op. 39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert. 40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! 41Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk. 42Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste; 43Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan; 44En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. 45Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven. 46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan. 47Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen. 48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen. 49Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads. 50Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over. 51En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham. 52En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. 53Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. 54En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft. 55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen. 56Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet. 57En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. 58En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. 59God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer. 60Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. 61En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders. 62En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis. 63Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen. 64Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. 65Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn. 66En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan. 67Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet. 68Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad. 69En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. 70En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; 71Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis. 72Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

Psalmen 105:1 1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

Psalmen 105:3-45 3Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich. 4Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk. 5Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds. 6Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene! 7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde. 8Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten; 9Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak; 10Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond, 11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel. 12Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin; 13En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk; 14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: 15Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad. 16Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods. 17Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf. 18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers. 19Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd. 20De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los. 21Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed; 22Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen. 23Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham. 24En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders. 25Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden. 26Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had. 27Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham. 28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig. 29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. 30Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen. 31Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale. 32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land. 33En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen. 34Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; 35Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op. 36Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten. 37En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde. 38Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen. 39Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten. 40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood. 41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. 42Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht. 43Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich. 44En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken; 45Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

Psalmen 106:1-48 1Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen? 3Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet. 4Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; 5Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. 6Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld. 7Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee. 8Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte. 9En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn. 10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands. 11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over. 12Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof. 13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet. 14Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis. 15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid. 16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN. 17De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram. 18En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand. 19Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. 20En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. 21Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte; 22Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. 23Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf. 24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet. 25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet. 26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn; 27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen. 28Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten. 29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed. 30Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. 31En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. 32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil. 33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen. 34Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had; 35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. 36En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. 37Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd. 38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. 39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden. 40Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel. 41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen. 42En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand. 43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid. 44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. 45En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden. 46Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. 47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof. 48Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →