Psalmen: Boetedoening

Bijbels onderwerp · 8 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 6:1-10 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. 2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! 3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt. 4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange? 5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. 6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? 7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. 8Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders. 9Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord. 10De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Psalmen 25:1-22 1Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op. 2Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. 3Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak. 4Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. 5He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag. 6Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. 7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE! 8Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. 9Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren. 10Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. 11Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. 12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen. 13Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven. 14Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. 15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. 16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. 17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. 18Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat. 20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. 21Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U. 22O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.

Psalmen 32:1-11 1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. 4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. 6Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. 7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. 8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake. 10De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. 11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!

Psalmen 38:1-22 1Een psalm van David, om te doen gedenken. 2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. 3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald. 4Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. 5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid. 7Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart. 8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees. 9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten. 10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen. 11Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij. 12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre. 13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen. 14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet. 15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn. 16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God! 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken. 18Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij. 19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde. 20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot. 21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag. 22Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij. Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil!

Psalmen 51:1-19 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. 3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. 4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. 5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. 6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. 7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. 8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend. 9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. 11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. 12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. 13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij. 14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. 15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren. 16Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. 17Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. 18Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen. 19De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.

Psalmen 102:1-28 1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN. 2O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. 3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk. 4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard. 5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens. 7Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen. 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak. 9Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij. 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen. 11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen. 12Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. 13Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht. 14Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. 15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis. 16Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid. 17Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn, 18Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed; 19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven; 20Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben; 21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods; 22Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem; 23Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen. 24Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort. 25Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen; 27Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. 28Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden. De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.

Psalmen 130:1-8 1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! 2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. 3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? 4Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. 5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. 6Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen. 7Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. 8En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Psalmen 143:1-12 1Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 2En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. 4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij. 5Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen. 6Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela. 7Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen. 8Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op. 9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik. 10Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land. 11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid. 12En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →