Psalmen: Voorbeden

Bijbels onderwerp · 7 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 144:9 9O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

Psalmen 20:1-9 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. 3Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion. 4Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela. 5Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad. 6Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten. 7Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden. 8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods. 9Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.

Psalmen 67:1-7 1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. 3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela. 6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.

Psalmen 122:1-9 1Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan. 2Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! 3Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is; 4Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken. 5Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David. 6Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen. 7Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen. 8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u! 9Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.

Psalmen 132:1-18 1Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden; 2Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: 3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme! 4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering; 5Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs! 6Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar. 7Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten. 8Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte! 9Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen. 10Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil. 11De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. 12Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten. 13Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: 14Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. 15Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. 16En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen. 17Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht. 18Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

Psalmen 144:1-8 1Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog; 2Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt! 3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht? 4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. 5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken. 6Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. 7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden; 8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.

Psalmen 144:10-15 10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard; 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid; 12Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. 13Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen. 14Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten. 15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →