Bijbels onderwerp · 41 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 92:3 3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
Psalmen 1:1-6 1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; 2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. 3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. 4Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. 5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen. 6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
Psalmen 5:1-12 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth. 2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. 3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden. 4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. 5Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. 6De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. 7Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel. 8Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze. 9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht. 10Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. 11Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U. 12Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.
Psalmen 7:1-17 1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini. 2HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij. 3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is. 4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is; 5Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!) 6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela. 7Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen. 8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte. 9De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is. 10Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! 11Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt. 12God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt. 13Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid. 14En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. 15Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. 16Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. 17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.
Psalmen 9:1-20 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben. 2Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen. 3In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste! 4Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht. 5Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid. 6Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos. 7O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan. 8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte. 9En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden. 10En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid. 11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken. 12Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden. 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet. 14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods; 15Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil. 16De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. 17De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela. 18De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen. 19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn. 20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.
Psalmen 10:1-18 1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid? 2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. 3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE. 4De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. 5Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan. 6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. 8Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme. 9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net. 10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten. 11Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. 12Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet. 13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken? 14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees. 15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt. 16De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land. 17HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken; 18Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
Psalmen 11:1-7 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel? 2Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte. 3Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven? 4De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. 5De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel. 6Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. 7Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
Psalmen 12:1-8 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. 2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. 3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. 4De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong. 5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons? 6Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast. 7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. 8Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.
Psalmen 14:1-7 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. 2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. 3Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een. 4Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan. 5Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen. 6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is. 7Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
Psalmen 15:1-5 1Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid? 2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; 3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste; 4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet; 5Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
Psalmen 17:1-15 1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. 2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen. 3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. 4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers; 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen. 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. 7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! 8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen, 9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen. 10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. 11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende. 12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen. 13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze; 14Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter. 15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
Psalmen 24:1-10 1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. 2Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? 4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; 5Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils. 6Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. 7Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! 8Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. 9Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! 10Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.
Psalmen 25:1-22 1Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op. 2Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. 3Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak. 4Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. 5He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag. 6Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. 7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE! 8Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg. 9Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren. 10Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. 11Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. 12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen. 13Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven. 14Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. 15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. 16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. 17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. 18Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat. 20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. 21Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U. 22O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.
Psalmen 32:1-11 1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. 4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. 6Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. 7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. 8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake. 10De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen. 11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
Psalmen 34:1-22 1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. 2Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn. 3Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn. 4Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen. 5Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered. 6He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. 7Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. 8Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. 9Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. 10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren. 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? 14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken. 15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na. 16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. 17Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. 18Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest. 20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE. 21Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken. 22Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.
Psalmen 36:1-12 1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. 2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. 4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. 5Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. 6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. 7Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten. 8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. 9Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. 10Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht. 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart. 12De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven. Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.
Psalmen 37:1-40 1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. 2Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. 3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. 4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. 5Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; 6En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag. 7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen. 9Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. 10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. 11De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede. 12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden. 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. 14Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn. 15Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden. 16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. 17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen. 18Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven. 19Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden. 20Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen. 21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft. 22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden. 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg. 24Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand. 25Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. 26Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening. 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. 28Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid. 29De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. 30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht. 31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen. 32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden. 33Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt. 34Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid. 35Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. 36Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden. 37Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn. 38Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid. 39Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid. 40En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.
Psalmen 39:1-13 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun. 2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. 3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard. 4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong: 5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. 6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela. 7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U. 9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen. 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. 11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand. 12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. 13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
Psalmen 49:1-20 1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld, 3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm! 4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn. 5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp. 6Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? 7Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; 8Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; 9(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); 10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. 11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. 12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. 13De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. 14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 15Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 16Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt; 18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. 19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet; 20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
Psalmen 50:1-23 1Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang. 2Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. 3Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 4Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. 5Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande! 6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela. 7Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God. 8Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij. 9Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien; 10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. 11Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. 12Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid. 13Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? 14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften. 15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren. 16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? 17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt. 18Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog. 20Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit. 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen. 22Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde. 23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
Psalmen 52:1-9 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester. 2Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech. 3Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag. 4Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog. 5Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela. 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs. 7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela. 8En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende: 9Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.
Psalmen 53:1-6 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath. 2De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet. 3God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. 4Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een. 5Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan. 6Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
Psalmen 58:1-11 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth. 2Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen? 3Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde. 4De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan. 5Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; 6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan. 7O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE! 8Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. 9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen. 10Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen. 11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.
Psalmen 73:1-28 1Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn. 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. 4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. 5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. 6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. 7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. 8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde. 10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? 12Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens. 15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. 16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. 23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. 25Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! 26Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. 27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert. 28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
Psalmen 75:1-10 1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. 2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen. 3Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten. 4Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela. 5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet. 6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals. 7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen. 9Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. 10En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.
Psalmen 82:1-8 1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden; 2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela. 3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme. 4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand. 5Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde. 6Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; 7Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen. 8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.
Psalmen 84:1-12 1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach. 2Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen! 3Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God. 4Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God! 5Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela. 6Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. 7Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. 8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. 9HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela. 10O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden. 11Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. 12Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.
Psalmen 90:1-17 1Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht. 2Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. 3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen! 4Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 5Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. 8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. 9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte. 10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. 11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? 12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. 13Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. 14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben. 16Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. 17En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalmen 91:1-16 1Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. 2Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw! 3Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. 4Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar. 5Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; 6Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest. 7Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken. 8Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien. 9Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; 10U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen. 11Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. 12Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot. 13Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. 14Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. 15Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken. 16Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Psalmen 92:1-2 1Een psalm, een lied, op den sabbatdag. 2Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
Psalmen 92:4-15 4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen. 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten. 7Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet; 8Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden. 9Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE! 10Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden. 11Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten. 12En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon. 14Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. 15In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.
Psalmen 94:1-23 1O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende. 2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. 3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? 4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen? 5O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. 6De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. 7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. 8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? 9Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen? 10Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert? 11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn. 12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet, 13Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt. 14Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. 15Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen. 16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? 17Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. 18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. 19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. 20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? 21Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht. 23En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.
Psalmen 101:1-8 1Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE! 2Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten. 3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen. 5Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen. 6Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen. 7Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden. 8Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.
Psalmen 112:1-10 1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden. 2Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden. 3He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. 4Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig. 5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht. 6Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. 7Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE. 8Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie. 9Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. 10Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.
Psalmen 119:1-176 1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan. 2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken; 3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen. 4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. 5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren! 6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. 7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben. 8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer. 9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord. 10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. 11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. 12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen. 13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds. 14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. 15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten. 16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten. 17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. 18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. 19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. 20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd. 21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen. 22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. 23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht. 24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. 25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. 26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen. 27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte. 28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord. 29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet. 30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. 31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet. 32Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. 33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe. 34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte. 35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust. 36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen. 38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is. 39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed. 40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid. 41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging; 42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord. 43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. 44Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos. 45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. 46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. 47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. 48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten. 49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. 50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. 51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken. 52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost. 53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. 54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen. 55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. 56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren. 58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging. 59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen. 60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden. 61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten. 62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid. 63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden. 64HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen. 65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord. 66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd. 67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord. 68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen. 69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte. 70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet. 71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde. 72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. 73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere. 74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. 75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt. 76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht. 77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking. 78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden. 79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen. 80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde. 81Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. 82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten? 83Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten. 84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers? 85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet. 86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. 88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden. 89Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. 90Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; 91Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten. 92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan. 93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. 94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. 95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. 96In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd. 97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag. 98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij. 99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn. 100Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden. 102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd. 103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! 104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden. 105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. 106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid. 107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord. 108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten. 109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet. 110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen. 111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. 112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe. 113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief. 114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt. 115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren. 116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. 117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken. 118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen. 119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief. 120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen. 121Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. 122Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken. 123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid. 124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen. 125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen. 126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken. 127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. 128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat. 129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel. 130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. 131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden. 132Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen. 133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. 134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden. 135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen. 136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden. 137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht. 138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden. 139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben. 140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. 141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet. 142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid. 143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen. 144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven. 145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren. 146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. 147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. 148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten. 149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht. 150Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet. 151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid. 152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt. 153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. 154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging. 155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet. 156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten. 157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet. 158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden. 159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid. 160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid. 161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord. 162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt. 163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief. 164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid. 165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot. 166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden. 167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. 168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U. 169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord. 170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging. 171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben. 172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid. 173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren. 174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking. 175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen. 176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
Psalmen 121:1-8 1Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal. 2Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. 3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen. 5De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand. 6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. 7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. 8De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
Psalmen 125:1-5 1Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. 2Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. 3Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht. 4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten. 5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
Psalmen 127:1-5 1Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. 2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft. 3Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning. 4Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd. 5Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Psalmen 128:1-6 1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt. 2Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan. 3Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel. 4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest. 5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; 6En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
Psalmen 131:1-3 1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. 2Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij. 3Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.