Psalmen 14 NBG 1951

NBG-vertaling 1951 · De overmoed der dwazen

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.

2De Here ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien, of er één verstandig is, één, die God zoekt.

3Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

4Hebben zij dan geen kennis, al die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten, als aten zij brood? De Here roepen zij niet aan.

5Daar overvalt hen de schrik, want God is bij het rechtvaardig geslacht.

6Het voornemen van de ellendige kunt gij wel beschamen, maar de Here is zijn toevlucht.

7Och, dat uit Sion Israëls redding daagde! Als de Here een keer brengt in het lot van zijn volk, dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

Lees ook in: Statenvertaling · HSV · KJV

Bijbelse onderwerpen bij dit hoofdstuk

Lees Psalmen 14 in de interactieve Bijbel →