Iemand een dwaas noemen

Bijbels onderwerp · 18 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 14:1 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.

Spreuken 1:7 7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

Spreuken 10:18 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

Spreuken 12:15 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

Spreuken 18:2 2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.

Spreuken 29:11 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

Mattheüs 5:22 22Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

Mattheüs 23:17 17Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?

Mattheüs 23:19 19Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?

Lucas 12:20 20Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

1 Korintiërs 3:18 18Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.

Psalmen 2:7 7Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

Johannes 5:30 30Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

Johannes 8:58 58Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.

1 Korintiërs 1:25 25Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.

1 Korintiërs 6:9-10 9Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven? 10Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.

Efeziërs 6:11 11Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.

2 Timotheüs 4:2-4 2Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. 3Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; 4En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →