Blindheid: Geestelijk

Bijbels onderwerp · 158 Bijbelteksten · Statenvertaling

Romeinen 11:25 25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

1 Korintiërs 2:14-15 14Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. 15Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.

Efeziërs 4:18 18Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;

Exodus 5:2 2Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.

Deuteronomium 29:4 4Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.

Deuteronomium 32:28-29 28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. 29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.

Rechters 16:20 20En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.

Job 21:14 14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

Job 22:13-14 13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen? 14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.

Psalmen 10:5-6 5Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan. 6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.

Psalmen 14:1 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.

Psalmen 14:4 4Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.

Psalmen 73:2-28 2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede. 4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. 5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. 6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. 7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. 8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde. 10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, 11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? 12Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. 13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens. 15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen. 16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. 19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten. 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. 23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; 24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. 25Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! 26Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. 27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert. 28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

Psalmen 79:6 6Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.

Psalmen 82:5 5Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.

Psalmen 92:6 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

Psalmen 94:7-8 7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. 8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?

Psalmen 95:10 10Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.

Psalmen 119:18 18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.

Spreuken 1:7 7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

Spreuken 1:22 22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

Spreuken 1:29-30 29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren. 30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

Spreuken 4:19 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

Spreuken 7:7-23 7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling; 8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; 10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 16Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; 18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; 20Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen. 22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

Spreuken 10:21 21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

Spreuken 13:18 18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

Spreuken 14:12 12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

Spreuken 17:16 16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

Spreuken 19:2-3 2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt. 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

Spreuken 28:5 5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.

Prediker 7:25 25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.

Jesaja 1:3 3Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.

Jesaja 5:13 13Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.

Jesaja 5:20 20Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!

Jesaja 6:9-10 9Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. 10Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.

Jesaja 9:2 2Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

Jesaja 26:10-11 10Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan. 11HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.

Jesaja 27:11 11Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich deszelven niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal aan hetzelve geen genade bewijzen.

Jesaja 28:13 13Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.

Jesaja 28:15 15Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.

Meer teksten bij Blindheid: Geestelijk

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →