Bijbels onderwerp · 49 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 5:5 5Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
Psalmen 14:1 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
Psalmen 53:1 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.
Psalmen 74:18-22 18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd. 19Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid. 20Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld. 21Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen. 22Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
Psalmen 107:17 17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;
Spreuken 1:7 7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
Spreuken 1:22 22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
Spreuken 3:35 35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
Spreuken 9:6-8 6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands. 7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek. 8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
Spreuken 9:13-17 13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al. 14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad; 15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende: 16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij: 17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
Spreuken 10:1 1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Spreuken 10:8 8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
Spreuken 10:10 10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
Spreuken 10:13-14 13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede. 14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
Spreuken 10:18 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
Spreuken 10:23 23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
Spreuken 12:15 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
Spreuken 14:1 1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
Spreuken 14:7 7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
Spreuken 14:8-9 8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij. 9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
Spreuken 14:15 15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
Spreuken 14:16 16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
Spreuken 15:7 7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
Spreuken 15:20-21 20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder. 21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
Spreuken 17:24 24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
Spreuken 17:25 25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
Spreuken 17:28 28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
Spreuken 18:2 2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
Spreuken 18:6-7 6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. 7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
Spreuken 19:13 13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
Spreuken 20:3 3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
Spreuken 21:20 20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
Spreuken 23:9 9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
Spreuken 26:3-12 3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten. 4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt. 5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij. 6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot. 7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten. 8Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft. 9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten. 10De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders. 11Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid. 12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
Spreuken 28:26 26Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.
Spreuken 29:9 9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
Spreuken 29:11 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
Prediker 4:5 5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.
Prediker 7:9 9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
Prediker 10:11 11Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.