Statenvertaling · Des Heren eerste antwoord: de dieren der wildernis
1Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
2Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
3Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
4Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
5Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
6Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
7Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
8Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
9Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
10Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
11Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?