Bijbels onderwerp · 4 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 39:1-30 1Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? 2Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren? 3Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 4Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve. 5Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost? 6Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. 7Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet. 8Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 9Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe? 10Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? 11Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? 12Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer? 13Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? 14Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 15En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 16Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. 17Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. 18Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. 19Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? 20Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. 21Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet. 22Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. 23Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans. 24Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. 25In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich. 26Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden? 27Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? 28Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. 29Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. 30Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.
Psalmen 32:9 9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Psalmen 49:12 12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
Prediker 3:18-21 18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven. 19Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid. 20Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof. 21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?