Dieren: Aandriften van

Bijbels onderwerp · 11 Bijbelteksten · Statenvertaling

Deuteronomium 32:11 11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;

Job 35:11 11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

Job 39:1-30 1Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? 2Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren? 3Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 4Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve. 5Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost? 6Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. 7Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet. 8Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 9Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe? 10Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? 11Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? 12Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer? 13Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? 14Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 15En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 16Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. 17Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. 18Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. 19Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? 20Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. 21Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet. 22Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. 23Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans. 24Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. 25In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich. 26Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden? 27Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? 28Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. 29Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. 30Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.

Job 40:1-24 1En de HEERE antwoordde Job, en zeide: 2Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. 3Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: 4Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. 5Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. 6En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide: 7Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 8Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt? 9Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen? 10Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! 11Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem! 12Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats! 13Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen! 14Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben. 15Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 16Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 17Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 18Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 19Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 20Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 21Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 22De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 23Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 24Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?

Job 41:1-34 1Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken? 2Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? 3Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken? 4Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf? 5Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? 6Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? 7Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? 8Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. 9Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? 10Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? 11Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne. 12Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 13Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen? 14Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 15Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 16Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. 17Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 18Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. 19Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 20Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel. 21Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. 22In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. 23De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. 24Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen. 25Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich. 26Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. 27Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. 28De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. 29De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 30Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk. 31Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. 32Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden. 33Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 34Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.

Psalmen 59:6 6Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

Psalmen 104:1-35 1Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. 2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn. 3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt. 4Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur. 5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen. 6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. 7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt. 9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken. 10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen. 11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede. 12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken. 13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken. 14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. 15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt. 16De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft; 17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen. 18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen. 19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang. 20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt: 21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken. 22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen. 23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe. 24Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. 25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. 26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen. 27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. 28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. 29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. 30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. 31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken. 32Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. 33Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden. 35De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

Spreuken 6:6-8 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

Spreuken 30:25-28 25De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs. 26De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen. 27De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen. 28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.

Jeremia 8:7 7Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.

Mattheüs 24:28 28Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →