Job 3:1-10

Statenvertaling · Jobs bittere klacht

1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.

2Want Job antwoordde en zeide:

3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;

4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!

6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!

7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;

9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!

10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.

Lees heel Job 3 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 3:1-10 in de interactieve Bijbel →