Bijbels onderwerp · 41 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 1:1 1Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
Job 1:5 5Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.
Job 1:8 8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
Job 1:14 14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
Job 1:20 20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
Job 1:22 22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
Job 2:3 3En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
Job 2:7 7Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
Job 2:10-11 10Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. 11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
Job 3:1-2 1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. 2Want Job antwoordde en zeide:
Job 6:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 9:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 12:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 16:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 19:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 21:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 23:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 26:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 27:1 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Job 29:1 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Job 31:40 40Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.
Job 32:1-4 1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. 3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden. 4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
Job 32:12 12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
Job 33:1 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
Job 33:31 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
Job 34:5 5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
Job 34:7 7Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;
Job 34:35-36 35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn. 36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
Job 35:16 16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
Job 37:14 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
Job 38:1 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
Job 40:1 1En de HEERE antwoordde Job, en zeide:
Job 40:3 3Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
Job 40:6 6En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
Job 42:1 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
Job 42:10 10En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.
Job 42:12 12En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
Job 42:15-17 15En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen. 16En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten. 17En Job stierf, oud en der dagen zat.
Ezechiël 14:14 14Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
Ezechiël 14:20 20Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.