Bijbels onderwerp · 35 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 3:1 1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
Job 6:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 7:1 1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?
Job 9:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 10:1 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
Job 12:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 14:1 1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.
Job 16:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 19:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 21:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 23:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 26:1 1Maar Job antwoordde en zeide:
Job 27:1 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Job 29:1 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Job 32:1 1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.
Job 33:1 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
Job 4:1 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
Job 5:1 1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
Job 8:1 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
Job 11:1 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
Job 13:1 1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
Job 15:1 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
Job 17:1 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
Job 18:1 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
Job 20:1 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
Job 22:1 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
Job 24:1 1Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
Job 25:1 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
Job 28:1 1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.
Job 30:1 1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
Job 31:1 1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Job 34:1 1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
Job 35:1 1Elihu antwoordde verder, en zeide:
Job 36:1 1Elihu ging nog voort, en zeide:
Job 37:1 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.