Bijbels onderwerp · 43 Bijbelteksten · Statenvertaling
Genesis 4:13-14 13En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde. 14Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
Genesis 30:1 1Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.
Exodus 5:21-23 21En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden. 22Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden? 23Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.
Exodus 14:11-12 11En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt? 12Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
Exodus 15:23-24 23Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara. 24Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?
Exodus 16:2-3 2En de ganse vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron, in de woestijn. 3En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.
Exodus 16:8 8Voorts zeide Mozes: Als de HEERE ulieden aan den avond vlees te eten zal geven, en aan den morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat de HEERE uw murmureringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen den HEERE.
Exodus 16:12 12Ik heb de murmureringen der kinderen Israels gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben.
Exodus 17:2-3 2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE? 3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
Numeri 11:1-15 1En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers. 2Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt. 3Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had. 4En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? 5Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook. 6Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen! 7Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedolah. 8Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. 9En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder. 10Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes. 11En Mozes zeide tot de HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt? 12Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt? 13Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten! 14Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar! 15En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!
Numeri 11:33 33Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.
Numeri 14:1-26 1Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht. 2En al de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren! 3En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren? 4En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte! 5Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels. 6En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen. 7En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land. 8Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende. 9Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet! 10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israels. 11En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb? 12Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is. 13En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken; 14En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts. 15En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: 16Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn! 17Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende: 18De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. 19Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt! 20En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord. 21Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden! 22Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; 23Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! 24Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. 25De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee. 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
Numeri 14:27 27Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israels, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.
Numeri 14:28-45 28Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt! 29Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt. 30Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt. 32Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen! 33En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. 34Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking. 35Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! 36En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; 37Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN. 38Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden. 39En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer. 40En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd! 41Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben. 42Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden. 43Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn. 44Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers. 45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.
Numeri 16:8-11 8Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi! 9Is het u te weinig, dat de God van Israel u van de vergadering van Israel heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen? 10Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt? 11Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want Aaron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?
Numeri 16:41 41Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!
Numeri 17:10 10Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aaron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
Numeri 20:2-5 2En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron. 3En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven! 4Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten? 5En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.
Numeri 21:5-6 5En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. 6Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
Deuteronomium 1:27-28 27En gij murmureerdet in uw tenten, en zeidet: Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen. 28Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.
2 Samuel 6:8 8En David ontstak, omdat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.
1 Koningen 19:4 4Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
1 Koningen 19:10 10En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
Job 3:1-26 1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. 2Want Job antwoordde en zeide: 3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen; 4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; 5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags! 6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome! 7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome; 8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken; 9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads! 10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen. 11Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam? 12Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou? 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen; 14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; 15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden. 16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben. 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; 18Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet. 19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer. 20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed? 21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten; 22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden; 23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft? 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water. 25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. 26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
Job 6:1-30 1Maar Job antwoordde en zeide: 2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! 3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. 4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. 5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? 6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? 7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze. 8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; 9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden. 11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou? 12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven? 14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten. 15Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door; 16Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt. 17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats. 18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan. 19De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. 20Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood. 21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd. 22Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? 23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen? 24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. 25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is? 26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn? 27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend. 28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege. 29Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn. 30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
Job 7:1-21 1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners? 2Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon; 3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid. 4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd. 5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden. 6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. 8Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. 9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen. 10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen. 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel. 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet? 13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen; 14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij; 15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen. 16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid. 17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet? 18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft? 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge? 20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij? 21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
Job 9:1-35 1Maar Job antwoordde en zeide: 2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? 3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. 4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? 5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn; 6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden; 7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; 8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; 9Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; 10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. 11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij? 13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers. 14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem? 15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. 16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. 17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. 19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden? 20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren. 21Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven. 22Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij. 23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen. 24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan? 25En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. 26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt. 27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken; 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden. 29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden? 30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; 31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen. 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. 33Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht. 34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; 35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
Job 10:1-22 1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist. 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft? 4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet? 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans? 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt? 7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. 8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij. 9Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. 10Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? 11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten; 12Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard. 13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is. 14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden. 15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende. 16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij. 17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij. 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had! 19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest. 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke; 21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods; 22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
Job 13:1-28 1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan. 2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u. 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. 4Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters. 5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen. 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen. 7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken? 8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten? 9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot? 10Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt. 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen? 12Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem. 13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. 14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen? 15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. 16Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. 17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren. 18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden. 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven. 20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. 23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend. 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? 25Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen? 26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid. 27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten, 28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.
Job 19:1-29 1Maar Job antwoordde en zeide: 2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij. 4Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten. 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft; 6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht. 8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. 9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen. 10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt. 11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden. 12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent. 13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. 14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. 15Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. 16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. 17Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil. 18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen. 19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd. 20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. 21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt. 22Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees? 23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend! 24Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! 25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; 26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; 27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. 28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt. 29Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
Job 23:1-17 1Maar Job antwoordde en zeide: 2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten. 3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; 4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen. 5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou. 6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan. 7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken. 8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. 9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet. 10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken. 12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd. 13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen. 14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem. 15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem; 16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd; 17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
Job 30:1-31 1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. 2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. 4Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren. 5Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief), 6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen. 7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich. 8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande. 9Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. 10Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. 11Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. 12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen. 13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen. 14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan. 15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan. 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan. 17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. 18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks. 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. 20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij. 21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk. 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen. 23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden. 24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking? 25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige? 26Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. 27Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen. 28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. 29Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen. 30Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. 31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.
Psalmen 73:3 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Psalmen 116:10-11 10Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest. 11Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
Prediker 2:17-18 17Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes. 18Ik haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.
Jesaja 38:10-18 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren. 11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld. 12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben. 13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben. 14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg. 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel. 16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen. 17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. 18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
Jeremia 20:14-18 14Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! 15Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks! 16Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei. 17Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is! 18Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?
Klaagliederen 3:1-66 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. 2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. 5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. 9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. 10Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. 13He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag. 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. 16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt. 17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. 19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle. 20Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij. 21Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; 22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; 23Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. 24Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. 25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. 26Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN. 27Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. 28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. 29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. 30Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad. 31Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. 32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden. 33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte. 34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt; 35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten; 36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien? 37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt? 38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? 39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. 40Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE. 41Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: 42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond. 44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. 45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken. 46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd. 47Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. 48Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks. 49Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is; 50Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie. 51Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad. 52Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. 53Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. 54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! 55Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. 56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. 57Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet! 58Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost. 59Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak. 60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. 61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; 62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag. 63Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. 64Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen. 65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen! 66Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
Jona 4:1-11 1Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak. 2En hij bad tot den HEERE, en zeide: Och HEERE! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad. 3Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven. 4En de HEERE zeide: Is uw toorn billijk ontstoken? 5Jona nu ging ter stad uit, en zette zich tegen het oosten der stad; en hij maakte zich aldaar een verdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat van de stad zou worden. 6En God, de HEERE, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom met grote blijdschap. 7Maar God beschikte een worm des anderen daags in het opgaan van den dageraad; die stak den wonderboom, dat hij verdorde. 8En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijner ziel te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven. 9Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe. 10En de HEERE zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan welken gij niet hebt gearbeid, noch dien groot gemaakt; die in een nacht werd, en in een nacht verging; 11En Ik zou die grote stad Nineve niet verschonen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?
Johannes 6:41-43 41De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is. 42En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald? 43Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.