Psalmen 104:2-20

Statenvertaling · Des Heren heerlijkheid in de schepping

2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

4Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.

16De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.

20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

Lees heel Psalmen 104 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Psalmen 104:2-20 in de interactieve Bijbel →