Wijsbegeerte: Filosofische inducties en deducties over God en zijn voorzienigheid

Bijbels onderwerp · 30 Bijbelteksten · Statenvertaling

Job 5:8 8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

Job 5:17 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

Job 9:2 2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?

Job 9:13 13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.

Job 10:2 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

Job 12:6 6De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.

Job 33:12 12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

Job 33:14 14Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.

Job 33:26 26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.

Job 33:29 29Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;

Job 37:5 5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.

Job 37:10 10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.

Job 37:14-15 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods. 15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?

Job 37:22 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!

Job 5:9-16 9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; 10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten; 11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden. 12Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. 13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt. 14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag. 15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken. 16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.

Job 5:18-20 18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. 19In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. 20In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.

Job 9:1 1Maar Job antwoordde en zeide:

Job 9:3-12 3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. 4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? 5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn; 6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden; 7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; 8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; 9Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; 10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. 11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. 12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

Job 9:14-35 14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem? 15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. 16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. 17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. 19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden? 20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren. 21Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven. 22Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij. 23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen. 24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan? 25En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. 26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt. 27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken; 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden. 29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden? 30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; 31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen. 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. 33Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht. 34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; 35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

Job 10:3-21 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft? 4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet? 5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans? 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt? 7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. 8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij. 9Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. 10Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? 11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten; 12Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard. 13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is. 14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden. 15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende. 16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij. 17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij. 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had! 19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest. 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke; 21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;

Job 12:7-24 7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven. 8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen. 9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet? 10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen. 11Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt? 12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand. 13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. 14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden. 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om. 16Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen. 17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig, 18Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden. 19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om. 20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg. 21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen. 22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht. 23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze. 24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

Job 33:13 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

Job 33:15-25 15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; 16Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; 17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge; 18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; 20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; 21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; 22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. 23Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; 24Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. 25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.

Job 33:27-28 27Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.

Job 33:30 30Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.

Job 37:1-4 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats. 2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! 3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde. 4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.

Job 37:6-9 6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen. 7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks. 8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen. 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

Job 37:11-13 11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts. 12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde. 13Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.

Job 37:16-21 16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen? 17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden? 18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel? 19Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis. 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden. 21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;

Job 37:23-24 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet. 24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →