Statenvertaling · Elihu’s vierde rede: Gods majesteit in de natuur
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.
8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.