NBG-vertaling 1951 · Looft God in zijn tempel
1Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.
2dient de Here met vreugde, komt voor zijn aangezicht met gejubel.
3Erkent, dat de Here God is; Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe, zijn volk, de schapen die Hij weidt.
4Gaat met een loflied zijn poorten binnen, zijn voorhoven met lofgezang, looft Hem, prijst zijn naam;
5want de Here is goed, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid, en zijn trouw tot in verre geslachten.
Lees ook in: Statenvertaling · HSV · KJV