Statenvertaling · Bildads eerste rede: God straft naar recht
7Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
11Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?
12Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.
13Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.
14Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.
15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
16Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.
17Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.
18Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
20Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
22Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.