Statenvertaling · Des Heren eerste antwoord: de dieren der wildernis
28Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.
29Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.
30Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.