Statenvertaling · Des Heren eerste antwoord: de dieren der wildernis
27Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
28Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.
29Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.
30Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.