Statenvertaling · Des Heren eerste antwoord: de dieren der wildernis
14Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
15En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
16Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
17Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
18Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.