Job 28:1-11

Statenvertaling · Het lied op de wijsheid

1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.

2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.

4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.

5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.

8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

Lees heel Job 28 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 28:1-11 in de interactieve Bijbel →