Bijbels onderwerp · 3 Bijbelteksten · Statenvertaling
Job 26:7-14 7Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. 8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet. 9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover. 10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis. 11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden. 12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. 13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. 14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
Job 28:1-28 1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods. 4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg. 5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. 6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien. 8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. 9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om. 10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? 13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. 14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier. 17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud. 18De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen. 19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands? 21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. 22Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. 24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen. 25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; 26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen; 27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze. 28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
Prediker 1:13-17 13En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren. 14Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes. 15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden. 16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien. 17En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.