Job 20:13-21

Statenvertaling · Sofars tweede rede: kort is de vreugde van de goddeloze

13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

15Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.

16Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.

17De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.

18Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.

19Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;

20Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.

21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

Lees heel Job 20 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Job 20:13-21 in de interactieve Bijbel →