Statenvertaling · Hoe liefelijk zijn uw woningen
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.
2Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!
3Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
4Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!