Statenvertaling · De les der geschiedenis
31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.
33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
34Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
35En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.