Statenvertaling · De beker van des Heren toorn
2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
3Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.
4Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.