Statenvertaling · Toch is God goed voor de oprechten
12Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;