Psalmen 55:1-17

Statenvertaling · Tegen de trouweloze vriend

1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.

8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

9Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.

11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

13Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.

Lees heel Psalmen 55 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Psalmen 55:1-17 in de interactieve Bijbel →