Harp: Het teken gebruikt in de psalmzang om aan te geven wanneer de harp in de muziek moest invallen was “neginoth”; zie de opschriften van

Bijbels onderwerp · 7 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 4:1-8 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. 3Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. 4Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep. 5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela. 6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE. 7Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! 8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.

Psalmen 6:1-10 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. 2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! 3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt. 4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange? 5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. 6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? 7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. 8Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders. 9Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord. 10De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Psalmen 54:1-7 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth; 2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? 3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. 4O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds. 5Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela. 6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen. 7Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. ] [ (Psalms 54:9) Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.

Psalmen 55:1-23 1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking. 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier; 4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. 6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij; 7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. 8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela. 9Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm. 10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad. 11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. 13Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! 15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods. 16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen. 17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen. 18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen. 19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest. 20God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen. 21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond. 22Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden. 23Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.

Psalmen 61:1-8 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. 3Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. 4Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand. 5Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela. 6Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. 7Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.

Psalmen 67:1-7 1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. 3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela. 6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.

Psalmen 76:1-12 1Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel. 3En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. 4Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela. 5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen. 6De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. 7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. 8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af? 9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil, 10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela. 11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden. 12Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.

Verwante onderwerpen

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →