Statenvertaling · Gebed van een vervolgde
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.