Statenvertaling · Gods heilsdaden en Israëls ondank
9En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
12Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.