Statenvertaling · Gods heilsdaden en Israëls ondank
34Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;
35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.
36En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.
37Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.
38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.
39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.