Psalmen 106:15-39

Statenvertaling · Gods heilsdaden en Israëls ondank

15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.

17De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.

18En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.

19Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.

20En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.

21Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;

22Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.

23Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.

24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.

26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

28Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.

29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

30Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.

31En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.

32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.

33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

34Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;

35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.

36En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

37Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.

38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

Lees heel Psalmen 106 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Psalmen 106:15-39 in de interactieve Bijbel →