Statenvertaling · Gods heilsdaden en Israëls ondank
10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
12Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.