Statenvertaling · Lofpsalm op Gods heilsdaden
24En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.
25Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.
26Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had.
27Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.
28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.
29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
30Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.
31Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.
32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
33En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.
34Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;
35Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.
36Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.
37En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
38Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
39Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.
40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
42Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.
43Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.
44En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;