Statenvertaling · Het genot van de goederen des levens is ijdelheid
4Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.
5Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht.
6Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.
7Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren.
8Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinoden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.