Reis van Israël door de woestijn: Gekenmerkt door voortdurend gemor en opstand

Bijbels onderwerp · 7 Bijbelteksten · Statenvertaling

Psalmen 78:40 40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

Psalmen 106:9 9En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.

Psalmen 106:14 14Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.

Psalmen 95:10 10Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.

Psalmen 106:7-8 7Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee. 8Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.

Psalmen 106:10-13 10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands. 11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over. 12Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof. 13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.

Psalmen 106:15-39 15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid. 16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN. 17De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram. 18En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand. 19Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. 20En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. 21Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte; 22Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. 23Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf. 24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet. 25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet. 26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn; 27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen. 28Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten. 29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed. 30Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. 31En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. 32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil. 33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen. 34Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had; 35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. 36En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. 37Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd. 38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. 39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →