Nehemia 7:8-60

Statenvertaling · De bewaking der stad

8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;

10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;

11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;

12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;

14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;

15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;

16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;

17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;

18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;

19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;

20De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;

21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;

22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;

23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;

24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;

25De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;

26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;

27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;

28De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;

29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;

30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;

31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;

32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;

34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;

36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;

37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;

38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;

39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;

40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;

41De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;

42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;

43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;

44De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;

45De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;

46De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;

48De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;

49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;

50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;

51De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

52De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;

53De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;

54De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;

55De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;

56De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;

57De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;

58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;

59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;

60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

Lees heel Nehemia 7 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Nehemia 7:8-60 in de interactieve Bijbel →