NBG-vertaling 1951 · De priesterkoning des Heren
1Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.
2De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden.
3Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op.
4De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek.
5De Here is aan uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van zijn toorn;
6Hij houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op, verplettert hoofden op het wijde veld.
7Hij drinkt onderweg uit de beek; daarom heft hij het hoofd op.
Lees ook in: Statenvertaling · HSV · KJV