Bijbels onderwerp · 13 Bijbelteksten · Statenvertaling
Psalmen 2:1-12 1Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? 2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: 3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. 4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. 5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. 6Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. 7Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. 8Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. 9Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. 10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! 11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. 12Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
Psalmen 16:7-11 7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. 8Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. 9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. 10Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. 11Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Psalmen 67:1-7 1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. 3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela. 6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.
Psalmen 68:28-35 28Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali. 29Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt! 30Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen. 31Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. 33Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela. 34Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte. 35Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!
Psalmen 69:1-36 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. 2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. 3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. 4Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. 5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. 6O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. 7Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels! 8Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. 9Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. 10Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. 11En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad. 12En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. 13Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. 14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils. 15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren. 16Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten. 17Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden. 18En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. 19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. 20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. 21De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. 23Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. 24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen. 25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan. 26Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. 27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden. 28Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. 29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. 30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek. 31Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. 32En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt. 33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven. 34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. 35Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt. 36Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.
Psalmen 72:1-19 1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings. 2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht. 3De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid. 4Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen. 5Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. 6Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen. 7In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. 8En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. 9De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken. 10De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. 11Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. 12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft. 13Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen. 14Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen. 15En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen. 16Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde. 17Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. 18Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet. 19En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.
Psalmen 93:1-5 1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. 2Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af. 3De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting. 4Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee. 5Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.
Psalmen 96:1-13 1Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde! 2Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag. 3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen. 4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden. 5Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt. 6Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom. 7Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte. 8Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven. 9Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde. 10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid. 11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid. 12Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen. 13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
Psalmen 97:1-12 1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden. 2Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons. 3Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand. 4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft. 5De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde. 6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer. 7Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden! 8Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE! 9Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden. 10Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand. 11Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart. 12Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
Psalmen 98:1-9 1Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven. 2De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen. 3Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods. 4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt. 5Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs, 6Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN. 7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen. 8Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, 9Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
Psalmen 99:1-9 1De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich. 2De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken. 3Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is; 4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. 5Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig! 6Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen. 7Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had. 8O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden. 9Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.
Psalmen 110:1-7 1Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. 2De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden. 3Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn. 4De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. 5De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns. 6Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land. 7Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.
Psalmen 118:19-29 19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven. 20Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan. 21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt. 22De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. 23Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. 24Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn. 25Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed. 26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN. 27De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. 28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen. 29Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.