Statenvertaling · De wijze en de dwaze maagden
37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?
38En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
39En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.