Statenvertaling · Rede tegen de schriftgeleerden en Farizeeën
18En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.
19Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?
20Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.