Lucas 22:64-71

Statenvertaling · Het verraad van Judas

64En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?

65En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.

66En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,

67Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;

68En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;

69Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.

70En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.

71En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.

Lees heel Lucas 22 →

Bijbelse onderwerpen bij dit hoofdstuk

Lees Lucas 22:64-71 in de interactieve Bijbel →