Verraad

Bijbels onderwerp · 32 Bijbelteksten · Statenvertaling

Mattheüs 20:18 18Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;

Mattheüs 24:10 10En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.

Mattheüs 26:16 16En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

Mattheüs 26:45-46 45Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 46Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

Mattheüs 26:48 48En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.

Marcus 14:10-11 10En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. 11En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.

Lucas 22:4 4En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.

Lucas 22:6 6En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.

Lucas 22:48 48En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?

Johannes 13:21 21Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.

Genesis 12:3 3En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Rechters 1:24-25 24En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen. 25En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.

Rechters 16:15 15Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij.

1 Samuel 22:9-10 9Toen antwoordde Doeg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub; 10Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.

Psalmen 1:1 1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

Psalmen 23:1 1Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

Psalmen 41:9 9Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.

Spreuken 19:5 5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.

Micha 7:5 5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.

Mattheüs 6:14-15 14Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. 15Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.

Mattheüs 7:12 12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

Mattheüs 26:14-15 14Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, 15En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.

Mattheüs 26:47 47En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.

Mattheüs 26:49-50 49En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem. 50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

Marcus 11:25 25En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.

Lucas 22:3 3En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.

Lucas 22:5 5En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.

Lucas 22:47 47En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.

Romeinen 3:23 23Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;

Efeziërs 6:10 10Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.

Filippenzen 4:13 13Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.

Jakobus 1:1 1Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.

Onderwerpen onder Verraad

Open dit onderwerp in de interactieve Bijbel →