Leviticus 11:9-23

Statenvertaling · Reine en onreine dieren

9Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;

10Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

11Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.

12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,

14En de gier, en de kraai, naar haar aard;

15Elke rave naar haar aard;

16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;

17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,

18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,

19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.

20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;

22Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

23En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.

Lees heel Leviticus 11 →

Bijbelse onderwerpen bij dit vers

Lees Leviticus 11:9-23 in de interactieve Bijbel →