Statenvertaling · Derde klaaglied: Ellende en vertroosting
28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
30Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.